Recht op privacy in rechtspraak

Betrokkene heeft geen recht op privacy in de rechtspraak

Op 15 mei 2019 werd een advies van de Adviescommissie AVG van de Raad van State[1] (hierna: commissie), zonder toelichting gevolgd door de voorzitter van de Afdeling Bestuursrechtspraak, openbaar. Dit advies zal bij AVG-specialisten de wenkbrauwen doen fronsen. De vraag is zelfs of deze commissie bevoegd was, of dat de Autoriteit Persoonsgegevens hierover had moeten oordelen. In dit artikel leg ik uit dat de redenering dit advies kan leiden tot het standpunt dat in de ogen van de rechtspraak alles wat in een gerechtsgebouw gebeurt, is uitgezonderd van de AVG. Dat lijkt in strijd met de ‘f-grond’. Betrokkenen kunnen hun rechten op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) dan namelijk niet inroepen tegen de rechtspraak.

Faciliteren van journalistiek als core business van de rechtspraak

De commissie meent – onder verwijzing naar art. 55 van de AVG, waarin slechts de onbevoegdheid van de Autoriteit Persoonsgegevens als AVG-toezichthouder wordt geregeld – dat het ongeclausuleerd ter inzage leggen van alle processtukken voor de pers behoort tot de core business van de rechtspraak. Dit omdat ieder gerecht een afdeling Communicatie heeft die het zich tot, niet in enige wet genoemde, taak rekent om de journalistiek te faciliteren. Vanwege het hebben van een persrichtlijn schaart de rechtspraak middels deze niet-wettelijke, vrijwillig op zich genomen taak, het mensenrecht van de rechtzoekende op openbare rechtspraak [2] onder de AVG-uitzonderingen.

Prima dat de journalistiek serieus wordt bediend door de rechtspraak. Of dit een rechtvaardiging is om dat tot het fundamentele recht van de rechtszoekende op openbare rechtspraak te rekenen, is de vraag. De verdragen waarnaar de commissie verwijst, beschermen namelijk de openbaarheid van terechtzittingen in het belang van de rechtzoekende. En niet het belang van anderen, waaronder de rechtspraak zelf of de journalistiek. Zonder enige gezaghebbende bron te noemen, stelt de commissie echter dat verslaglegging door journalisten van dit mensenrecht de realisatie is. Vanwege het feit dat in de rechtspraak veel schriftelijk wordt uitgewisseld, krijgen journalisten, zelfs zonder voorafgaande kennisgeving daarvan aan de partijen, het procesdossier. Dat is volgens de commissie onderdeel van de gerechtelijke taak en het fundamentele recht van de rechtzoekende op een openbare behandeling van zijn zaak.

De openbare terechtzitting is volgens de commissie niet voldoende voor de realisatie van het grondrecht van de rechtzoekende op een openbare zitting: “de enkele toegang tot de rechtszaal is niet steeds voldoende garantie voor openbaarheid.” En vanwege het recht van de rechtzoekende op een openbare mondelinge behandeling, moet de journalist eenvoudig alle informatie kunnen verkrijgen. Terwijl de eerst aangewezen weg daarvoor uiteraard het benaderen van de partijen zelf is.

Hiermee praat de commissie het ongecensureerd ter inzage leggen van alle processtukken voor de media goed, waarin zelfs het BSN (tevens BTW-nummer) van de gemachtigde niet hoeft te worden weggelakt. Dit met slechts een vage verwijzing naar het verschil tussen een eerdere concept-tekst en de uiteindelijke tekst van art. 55 van de AVG, en een dito argumentatie naar wat proportioneel zou zijn. De gemachtigde had het nummer zelf op zijn briefpapier gezet en moet dus niet zeuren. Dat dit melden van het BSN een wettelijke plicht is, lijken deze rechters niet te weten. Van identiteitsfraude lijkt men niet te hebben gehoord.

Wie houdt toezicht op de toezichthouder?

Het is twijfelachtig of de rechtspraak zelf de toezichthouder is voor deze taak en niet de Autoriteit Persoonsgegevens. Volgens art. 55, derde lid, van de AVG zijn toezichthoudende autoriteiten namelijk niet competent toe te zien “op verwerkingen door gerechten bij de uitoefening van hun rechterlijke taken.” Om de vraag te beantwoorden wanneer sprake van een rechterlijke taak verwijst de commissie slechts naar het verschil tussen een eerdere concept-tekst en de uiteindelijke tekst van art. 55 van de AVG. Ook verwijst de commissie voor de toepassing van art. 55 naar een vergelijkbare bepaling in Richtlijn (EU) 2016/680, waarin wordt gesproken van “gerechtelijke activiteiten in het kader van rechtszaken.” Van die definitie wordt de lezer niet veel wijzer. De commissie had kunnen kijken naar wat volgens andere bepalingen in de AVG en UAvg tot de rechterlijke taak wordt gerekend en redeneren dat:

  • Niet alles wat zich in een gerechtelijke organisatie afspeelt, onder de rechterlijke taak valt zoals de AVG en de UAvg die definieert;
  • De ‘rechtspraakbeperking’ op grond van art. 23 van de AVG en 41 van de UAvg (de ‘f-grond’) alleen is toegestaan als die noodzakelijk en evenredig is voor bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter.

Door alles wat er in het gerechtsgebouw gebeurt – van het onverplicht helpen van de journalistiek, het niet AVG-proof publiceren van uitspraken tot het gebruiken van de digitale post- en archiefsystemen –onder de definitie van rechterlijke taak en dus in het belang van de onafhankelijke rechter’ te scharen, bestaat voorts de kans dat een rechtzoekende en zijn gemachtigde of een andere partij bij de rechtspraak feitelijk nooit een beroep kan doen op zijn rechten als bedoeld in de AVG: alles valt hier volgens de commissie onder. Hiermee zet de commissie de deur wijd open naar een categorische uitzondering voor de gelding van de AVG bij de rechtspraak, die volgens de wetgever niet is bedoeld.

Rechtelijke taken volgens de AVG

De AVG maakt verschil tussen beperkingen, genoemd in art. 23, eerste lid, en categorische uitzonderingen op de verplichtingen in de AVG, genoemd in art. 85 voor bijvoorbeeld journalisten. Voor beide geldt dat het de nationale wetgever is, die bepaalt of deze in de lidstaat ook gelden. Dat is in Nederland in art. 41 van de UAvg gebeurd voor de rechtspraak.

De rechtspraakbeperking in art. 23, eerste lid, van de AVG luidt: De reikwijdte van de verplichtingen en rechten als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 22 en artikel 34, alsmede in artikel 5 kan, voor zover de bepalingen van die artikelen overeenstemmen met de rechten en verplichtingen als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 20, worden beperkt door middel van Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die op de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker van toepassing zijn, op voorwaarde dat die beperking de wezenlijke inhoud van de grondrechten en fundamentele vrijheden onverlet laat en in een democratische samenleving een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter waarborging van: (f) de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en gerechtelijke procedures.

Overweging 73 hierbij luidt: In het Unierecht of het lidstatelijke recht kunnen beperkingen worden gesteld aan de specifieke beginselen en het recht op informatie, inzage en rectificatie of wissing van gegevens, het recht op gegevensoverdraagbaarheid, het recht om bezwaar te maken (…) voor zover dat in een democratische samenleving noodzakelijk en evenredig is voor de bescherming van de openbare veiligheid, waaronder (…) het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid, of van schendingen van de beroepscodes voor gereglementeerde beroepen, voor de bescherming van andere belangrijke doelstellingen van algemeen en openbaar belang in de Unie of een lidstaat (…) Deze beperkingen moeten in overeenstemming zijn met de vereisten van het Handvest en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Artikel 41, eerste lid, aanhef en onder f, van de Uavg luidt: De verwerkingsverantwoordelijke kan de verplichtingen en rechten, bedoeld in de artikelen 12 tot en met 21 en artikel 34 van de verordening, buiten toepassing laten voor zover zulks noodzakelijk en evenredig is ter waarborging van (f) de bescherming van de onafhankelijkheid van de rechter en gerechtelijke procedures.

De memorie van toelichting bij art. 41 luidt: De vraag of in het concrete geval een uitzondering gerechtvaardigd is, zal door de verwerkingsverantwoordelijke zelf moeten worden afgewogen op grond van artikel 41 van de Uitvoeringswet.

Het tweede lid van de voorgestelde bepaling in de Uitvoeringswet dwingt de verwerkingsverantwoordelijke ertoe om een zorgvuldige afweging te maken, door voor te schrijven met welke elementen van gegevensverwerkingen hij rekening moet houden. Hij zal van geval tot geval moeten bepalen op welke verplichting een uitzondering wordt gemaakt. Het is overigens niet zo dat alle elementen die worden genoemd in het tweede lid in alle gevallen, waarin deze belangenafweging gemaakt wordt aan de orde moeten komen. Het is primair aan de verwerkingsverantwoordelijke om te bepalen welke elementen in concrete gevallen relevant zijn om mee te wegen. Gelet op het belang van de rechten van betrokkene, de meldplicht en de beginselen dienen verwerkingsverantwoordelijken alleen van de bevoegdheid om af te wijken gebruik te maken indien dit strikt noodzakelijk is en op proportionele wijze gebeurt. Net als onder artikel 43 van de Wbp geldt voor de toepasselijkheid van deze gronden dus een strikt noodzakelijkheidscriterium (vergelijk artikel 8, tweede lid, van het EVRM en artikel 52, eerste lid, van het Handvest). De bepaling biedt dus een mogelijkheid om alleen in individuele zaken af te wijken van de rechten die gelden op grond van de verordening, indien dit strikt noodzakelijk is met het oog op de in artikel 23 van de verordening genoemde belangen. Een categorische beperking van de rechten van betrokkene kan, wanneer dit noodzakelijk en evenredig is in een democratische samenleving, daarentegen niet op artikel 41 worden gebaseerd maar alleen eventueel in sectorspecifieke wetgeving worden opgenomen. (…)

Dat houdt in ieder geval in dat dit artikel geen grondslag biedt voor structurele categorische beperkingen van rechten van betrokkenen maar louter als vangnet fungeren kan in individuele gevallen waarin dat incidenteel noodzakelijk is. (TK 2017–2018, 34851, nr. 3, pp. 48-49 en 122)De UAvg-wetgever heeft het niet nodig gevonden op te nemen dat de beperking volgens de AVG als voorwaarde moet hebben dat die de wezenlijke inhoud van de grondrechten en fundamentele vrijheden onverlet laat. Dat moet er, omdat het Unierecht van een hogere orde is dan het nationale recht, wel worden ingelezen.Volgens de AVG en de UAVg gaat het bij de rechtspraakbeperking om de eis van noodzakelijkheid en evenredigheid in het belang van bescherming van rechterlijke onafhankelijkheid en die van gerechtelijke procedures. Zowel noodzaak, evenredigheid en de vermeende aantasting van rechterlijke onafhankelijkheid en gerechtelijke procedure moeten gemotiveerd worden uitgelegd. Evenredigheid betekent bovendien dat er altijd een concrete en individuele belangenafweging moet plaatsvinden. De wezenlijke inhoud van de grondrechten en fundamentele rechten van de betrokken persoon mag niet worden aangetast door het toepassen van de f-grond.

Mijn conclusie is dat alles wat een aantasting kan zijn van de fundamentele rechten van de betrokkene, wat niet noodzakelijk en onevenredig is in het kader van rechterlijke onafhankelijkheid en de gerechtelijke procedure, niet tot de rechterlijke taak behoort.

De rechterlijke onafhankelijkheid is niet gebaat bij het opsturen van procesdossiers naar journalisten. Noodzakelijk is het al zeker niet. Het kan een aantasting van de fundamentele rechten van de betrokke. Die worden beschermd door het recht op openbaarheid, journalisten niet. Daar was de AVG nu juist voor bedoeld.

Caroline Raat mr. dr. Caroline Raat is geregistreerd docent AVG

[1] Gebaseerd op de Regeling verwerking persoonsgegevens bestuursrechtelijke colleges.

[2] art. 6, eerste lid, van het EVRM luidt: Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen (…)